On the Path to Freedom
Ontmoetingen

Niets is wat het lijkt

Het regen­de tij­dens de paar vakan­tie­da­gen die ik in Span­je door­bracht. Het hield me niet tegen om gewa­pend met een roze para­plu toch maar naar bui­ten te gaan. Op zoek te gaan naar de ver­ha­len van de oude Mid­del­eeuw­se stad waar ik te gast was. Deze keer niet uit op de ver­ha­len van men­sen, ten­zij men­sen uit het ver­le­den die hun erfe­nis had­den ach­ter­ge­la­ten in de oude ste­nen en steeg­jes, mythes en tra­di­ties.

Toch zag ik hem wel zit­ten en hij zag mij. Onder het dak­je van een por­tiek van een hotel ver­ge­zeld van twee mooie hon­den. ‘Ola’ lach­te hij me toe en ik lach­te van­zelf­spre­kend ook naar hem. Als­of hij een beken­de was, die ik toe­val­lig tegen­kwam. In mijn gedach­ten label­de ik hem onmid­del­lijk tot een zwer­ver. ‘Waar­schijn­lijk een bede­laar die niet in een opvang­huis wil omdat daar geen hon­den toe­ge­la­ten zijn’, hoor ik mezelf den­ken en ik wan­del ver­der. De lach van de man nog in mijn gedach­ten moet ik er zelf mee lachen omdat op dat moment de zon door­breekt. De komen­de dagen zien we elkaar een paar keer. We her­ken­nen elkaar en met een lach, een groet en ‘Ola’ lijkt dat genoeg te zijn. Ik voel me geen soci­aal wer­ker. Hij vraagt niets meer dan een ant­woord op zijn vrien­de­lij­ke groet.

Que tal?’, hoor ik hem vra­gen als ik op de laat­ste avond van mijn ver­blijf terug­kom van een tocht door de oude stad. ‘Bo’, ant­woord ik hem, waar­mee ik met­een mijn laat­ste Cata­laan­se woord ver­speel. Hij spreekt geen Spaans en Engels waar­mee ik dan maar lachend mijn schou­ders ophaal en ver­der ga. Hij lacht nog eens en gaat zit­ten op de trap­pen voor de geslo­ten super­markt, geflan­keerd door zijn prach­ti­ge hon­den.

Mijn gedach­ten strui­ke­len over elkaar als ik ver­der ga. ‘Als ik niet met hem kan pra­ten, kan ik hem niet hel­pen. En ik weet de weg niet hier in deze stad om iemand de weg naar hulp te wij­zen. En zou hij wel gege­ten heb­ben? En die hon­den? Ik moet iets kun­nen doen.’ Ik voel me onmach­tig. In Ant­wer­pen zou ik pre­cies weten wat ik moet doen. Ik zou in het Ant­werps vra­gen of hij weet waar hij terecht kan, zou zo een paar adres­sen van opvang­plaat­sen of voed­sel­ban­ken aan hem kun­nen door­ge­ven en de juis­te vra­gen kun­nen stel­len om erach­ter te komen of wel­ke soci­a­le rech­ten hij kan aan­vra­gen.

Hij vraagt je niets!’ hoor ik het door mijn gedach­ten gaan. Hij vraagt alleen ‘Que tal?’ Dat bete­kent hoe gaat het met jou? Mijn gedach­ten heb­ben gelijk, hij vraagt niets, in de dagen dat ik hem dage­lijks even zag, heeft hij nooit gebe­deld, hij gaf mij een blik, een knip­oog, een groet, zijn hon­den begroet­ten mij en ver­der niets.

Ik keer op mijn schre­den terug. Hij zit voor zich uit te sta­ren op de trap­pen. De ene hond ligt met zijn kop op zijn knie, de ande­re ziet mij en begint te blaf­fen. Hij kijkt op en lacht weer. Ik ga ook op de trap zit­ten. We spre­ken bei­den genoeg Frans om elkaar te ver­staan. Hij vraagt weer hoe het met me gaat en ik ver­tel hem dat ik even op vakan­tie ben maar mor­gen weer ver­trek. Dat ik zijn stad prach­tig vind. Hij beaamt het en ver­telt me wat hij ziet als hij s avonds op de trap voor de super­markt zit. In de ver­te zie je de oude stads­muur. Daar­voor loopt de rivier. De licht­jes van­uit de hui­zen, res­tau­rants en cafés geven een mooi zicht in het don­ker. Hij ziet men­sen uit­gaan en weer naar huis gaan. Hij ziet toe­ris­ten komen en weer weg­gaan. Ieder­een komt en gaat.

En jij?’ vraag ik. ‘Waar ga jij naar toe?’ ‘Ik ben altijd hier’, zegt hij. Op mijn vraag of hij geen huis of opvang­plaats heeft, lacht hij mijn wel­licht wat ver­ont­rust­te blik weg. ‘Ik slaap hier en het is hier goed. Het is niet koud. En deze twee zijn bij mij.’ Hij wijst naar zijn hon­den. ‘Ik kijk naar de men­sen en zie ver­ha­len. En soms is er iemand, zoals jij, die naast mij komt zit­ten en naar mijn ver­ha­len luis­tert.’ Het lijkt genoeg voor hem.

Ik ben er stil van. Ik neem afscheid van hem en weet niet of ik hem ooit weer zal zien, maar ergens in mijn gedach­ten heeft hij een plaats gekre­gen tus­sen de eer­de­re leer­mees­ters in mijn leven. Niets is wat het lijkt. Het label zwer­ver klopt waar­schijn­lijk wel, hij leeft op straat, werkt niet, waar hij eten van­daan haalt, weet ik niet en de kans dat hij geld dat hij krijgt omzet in drank is reëel. Maar het leven is ok voor hem. Hij liet mij de ech­te mens zien die mij vroeg ‘Que tal?’ en het meen­de. Die me ver­ha­len ver­tel­de van­uit zijn blik op de stad.

Hij blijft nog een tijd­je in mijn gedach­ten. Ik wil­de ver­ha­len zoe­ken in deze oude Spaan­se Mid­del­eeuw­se stad en op deze regen­ach­ti­ge dag werd hij samen met mij één van mijn nieu­we ver­ha­len. Het ver­haal van twee men­sen zon­der label van soci­aal wer­ker of zwer­ver die samen een praat­je maak­ten en wij­zer wer­den.

Margreet

Als social impact storyteller en schrijver wil ik je hart raken met verhalen. Verhalen die gaan over mensen die ik tegenkom. Ik kom ze tegen in mijn werkomgeving waar ik als sociale professional te maken heb met overlevers van mensenhandel en prostitutie of uitbuiting, geweld. Maar ik kom ze ook tegen in mijn vrije tijd of in mijn leven buiten mijn werk. Overal zijn mensen 'on the path 2 freedom', op zoek naar recht, naar erkenning, naar naastenliefde, naar gezien worden. Daarover schrijf ik en lees jij! Op 6 maart 2020 verscheen mijn eerste verhalenbundel 'Mozaïek'. Op 1 november 2021 startte ik mijn eigen freelance tekstbureau.

2 Comments

  • Avatar

    Engelien

    En zeg nou niet Je hebt de plank mis­ge­sla­gen, maar heb je ze wel wat gege­ven? Mate­ri­eel dus?
    Mooi ver­haal weer.